× 
Klik in dit venster
op: http://heiligen.net
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

welkom menu contact zoeken
KalenderOude testamentNieuwe testamentHeiligenKerkenAnders...
Jesajaraam

In het koor van de hoofdbeuk zitten vijf ramen. Het meest linkse is gewijd aan de profeet Jesaja.
Het heeft raamnummer 8 in de Oude Kerk.


Van onder naar boven geven ze zes illustraties bij teksten, ontleend aan het Bijbelboek Jesaja:

. Jesaja’s lippen gereinigd door een vurige kool
   [Jesaja 6,1-7]

. ‘De maagd zal baren en een zoon ontvangen…’
   [Jesaja 7,10-14; Matteus 1,18-25]

. ‘Zon, sta stil…’ Teken voor de zieke Hizkia
   [Jesaja 38,1-8]

. Lijdende Dienstknecht van de HEER
   [Jesaja 52,12-53,12]

. Zeven gaven van de geest
   [Jesaja 11,1-8]

. Profeet dag en nacht in gebed
   [Jesaja 62,6-7]



Jesaja’s lippen gereinigd door een vurige kool

De profeet, gehuld in een wit onderkleed en een paarsbruin bovengewaad, zit op de treden van een trap. Zeer waarschijnlijk de trap van de tempel. Boven hem de Heer zelf, gehuld in een vuurrode krans; een staf in de linkerhand. Met de rechterhand maakt Hij zijn gebaar van zegen. Hij wordt omringd door engelenkopjes, serafs met zes paarskleurige vleugels. In het midden boven: de menora; daaronder de zuilen van de tempel.
Vanuit een wolk vliegt een seraf toe op de profeet. In een tang heeft hij een vurige kool, die hij uit het vuur heeft gehaald dat linksonder nog juist te zien is. De verbijstering van de profeet wordt tot uitdrukking gebracht door zijn armgebaar en door zijn haren die recht overeind lijken te staan.

Illustratie bij het roepingsvisioen van de profeet Jesaja:
In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook.
Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’
[Jesaja 6,1-7, met name de verzen 6-7]


‘De maagd zal baren en een zoon ontvangen…’

In het middelste tracée van het raam troont een vrouw, met witte sluier en blauw gewaad. Op haar schoot staat een kind, een jongetje in het wit gekleed. Beiden worden omgeven door een lichtpaarsige wolk. Aan hun linkerhand - voor ons rechts - staat de profeet, herkenbaar aan zijn witte ondergewaad en bruinpaarse bovenkleed. Hij heeft een tulband op het hoofd. Zijn blote voeten geven aan dat hij de weg van de Heer gaat.
Aan de andere kant staat koning Achaz, gekleed in een groen gewaad, kroonop het hoofd, de voeten geschoeid en een scepter in de linkerhand. Met zijn rechter lijkt hij zijn gewaad op te houden.

De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: ‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’ Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.
[Jesaja 7,10-14]

Toen honderden jaren later Jezus’ leerlingen deze tekst herlazen in het licht van de gebeurtenissen rond Jezus, lazen zij daarin een voorspelling van Jezus’ herkomst, te vinden bij de evangelist Matteus:
De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’ Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven’, wat in onze taal betekent ‘God met ons’. Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar bij zich als zijn vrouw, maar hij had geen gemeenschap met haar voordat ze haar zoon gebaard had. En hij gaf hem de naam Jezus.
[Matteus 1,18-25, met name vers 23]

Op de afbeelding knielt een jongeman in aanbidding vóór moeder en kind; gekleed in een witkleurig harig gewaad. Waarschijnlijk een verwijzing naar Johannes de Doper die Jezus aanwees als de komende Messias?

‘Zon, sta stil…’

In het middelste tracée staat de profeet, de handen gespreid in een dramatisch gebaar. Achter hem, uitgestrekt op een bed, de zieke koning Hizkia. Aanvankelijk had hij te horen gekregen dat hij zou sterven. Maar de profeet komt het zeggen dat zijn bede is verhoord en dat hij er nog vijftien jaar bij krijgt. De zon keerde ‘tien treden terug’ op de trap van Achaz. We zien de zon rechtsboven; daaronder de trap, waar allen op de bovenste trede schaduw valt; de overige liggen nog in het zonlicht.

Omstreeks dezelfde tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: ‘Dit zegt de HEER: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’ Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEER: ‘HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.’ Daarbij stortte hij bittere tranen. Toen richtte de HEER zich opnieuw tot Jesaja: ‘Ga naar Hizkia toe en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van je voorvader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Welnu, ik geef je nog vijftien jaar te leven, en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië. Ik zal deze stad beschermen.”’
Jesaja zei: ‘De HEER geeft u het volgende teken dat hij zijn belofte zal nakomen: ik laat de schaduw op de zonnewijzer van Achaz tien treden achteruitgaan in plaats van vooruit.’ En de schaduw ging tien treden achteruit. [Jesaja 38,1-8]

Intrigerend is het hondje op de voorgrond, de tong levenslustig uit de bek, maar vastgemaakt aan dikke ketting. Symbool voor de koning met wiens levenslust het gedaan leek? Of voor zijn rijk dat na zijn dood onder de voet zal worden gelopen door machtige naties?

Lijdende Dienstknecht van de HEER
In het middelste tracée een bijna naakte man, aan handen en voeten vastgebonden, en onder het bloed. Boven hem soldaten die de touwen strakker aantrekken. Rechts van hem - voor ons links - de profeet, gehuld in een wit onderkleed en een bruinig bovengewaad. Hij kijkt geschrokken toe en wijst naar de lijdende man met zijn linkerhand.

Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien.
Zoals hij velen deed huiveren - zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens -,
zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan.
En zij aan wie niets was verteld, zullen zien, zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?
Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?
Als een loot schoot hij op onder Gods ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond.
Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren.
Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.
Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam.
Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd.
Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken.
Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.
Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen.
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open.
Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open.
Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.
Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?
Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken.
Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek.
Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven.
En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.
Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd.
Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich.
Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen.
Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.

[Jesaja 52,13-12]

Toen honderden jaren later Jezus’ leerlingen deze tekst herlazen in het licht van de gebeurtenissen rond Jezus, lazen zij daarin een voorspelling van Jezus’ zending: hoe Hij opkwam voor zondaars, en hoe Hij dientengevolge folteringen moest ondergaan, zoals negenendertig geselslagen. (Herkennen wij in de afbeelding Jezus aan de geselpaal?) En hoe Hem dat tenslotte bracht tot de marteldood op het kruis (ook herkenbaar op de afbeelding in de wijd gespreide armen); en hoe God Hem aan de andere kant van de dood deed opstaan en hoog heeft verheven.
Vandaar dat de kunstenaar in het rechter tracée de vier evangelisten, de schrijvers van Jezus’ levensverhaal, als getuigen heeft weergegeven in de vorm van hun symbooldieren, plus bijbehorende naam: Matteus, de gevleugelde mens, Marcus, de gevleugelde leeuw, Lukas, het gevleugelde rund, en Johannes, de gevleugelde adelaar.

Meditatie: ‘Lijdende Dienstknecht (1957)’
Meditatie: ‘Lijden en ...? (1957)’


Zeven gaven van de geest

In het middelste tracée groeit uit een wortelstronk met de naam Isaï het bovenlijf van een man, gekleed in een wit ondergewaad en een rood bovenkleed.
Isaï is de vader van David, en daarmee de stamvader van het geslacht waaruit eens de Messias tevoorschijn zal komen, de man van God die van de aarde een paradijs zal maken.
Die Messias is hier afgebeeld. Hij heeft de armen gespreid, alsof hij de hele wereld daarin wil sluiten. Aan zijn linkerhand - voor ons rechts - ziet de profeet toe, liggend op de grond. Hij is herkenbaar aan zijn witte ondergewaad en bruinig bovenkleed. Met zijn rechterhand wijst hij naar de gestalte uit de wortelstam van Isaï. Boven diens hoofd zijn elf witte duiven zichtbaar, symbolen voor de zeven van de Geest die op hem rusten en die van hem een goede herder maken (zichtbaar boven het hoofd van de profeet). Aan de voet van de wortelstronk en linksonder zien we hoe wilde en tamme dieren met elkaar in vrede leven, en hoe kinderen spelen met slangen.

Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en eerbied voor de HEER.
Hij ademt eerbied voor de HEER; zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn, noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.
Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel, de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.
Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond, met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.
Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen en trouw als een gordel om zijn heupen.
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling, een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

[Jesaja 11,1-08]

Toen honderden jaren later Jezus’ leerlingen Jesaja herlazen, herkenden zij in deze tekst de trekken van Jezus. De kunstenaar is hen daarin gevolgd!


Profeet dag en nacht in gebed


Helemaal boven in het raam is de profeet zelf afgebeeld. De kunstenaar maakt mooi gebruik van de raamtracering. In het midden de profeet, nu gekleed in een bruin ondergewaad en een wit bovenkleed; de lege handen, prachtig verdeeld over de uitgespaarde raamvlakjes, in smeekgebed naar de hemel geheven.
Vóór hem onder de maansikkel: een vrouwelijke gestalte in een donkerkleurig kleed met sterretjes, personificatie van de nacht. Achter hem tegen de achtergrond van een gloedrood opkomende zon: een jonge man met fakkel, personificatie van de dag.
Op de achtergrond vage aanduiding van huizen en stad.

Jeruzalem, ik heb wachters op je muren gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.
Jullie die een beroep doen op de HEER, gun jezelf geen rust en gun hem evenmin rust,
totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd.

[Jesaja 62,6-7]

Meditatie: ‘Gebed (1972)’
Meditatie: ‘Onnutte knechten (1972)’

© A. van den Akker s.j.

Over beeldmeditaties Voorbereiding
Inrichting website Leeswijzer
Auteurs / Afb. Alle 435 meditaties